Ga naar de hoofdinhoud
Witte historische kantoorpanden met klassieke houten deuren in Rotterdam, met op de achtergrond de hoogbouw van het Erasmus MC.

Begrippenlijst

Aanbouw
Ondergeschikte uitbreiding ter plaatse van de begane grond aan een gevel van een gebouw, veelal aan de achter- of zijkant.
Afdak
Dak dat is aangebracht tegen de gevel van een gebouw dat bedoeld is als beschutting.
Amorf
Zonder herkenbare vorm.
Architectonische bijzonderheden
Unieke en opvallende kenmerken en details van een gebouw of gevel.
Architectonische eenheid
Als één geheel ontworpen gebouw of groep van gebouwen met een vergelijkbaar uiterlijk.
Autonoom
Op zichzelf staand en met een eigen architectonische uitstraling.
Balustrade
Een hekwerk of afzetting aan de rand van bijvoorbeeld een balkon, trap, daktuin, terras of brug.
Band
Horizontaal accent in de gevel in afwijkend materiaal, bijvoorbeeld natuursteen of stucwerk.
Beits
Middel dat in het hout trekt om van binnenuit bescherming te bieden, geheel transparant of niet-dekkend gepigmenteerd.
Belendend
Naastgelegen.
Bestrating
(Half)verharding in de vorm van straatstenen, tegels en dergelijke.
Biobased bouwmaterialen
Bouwmaterialen gemaakt van dierlijk materiaal of van schimmels, planten, bacteriën die ecologisch verantwoord geteeld, geoogst, gebruikt en hergebruikt worden.
Biodiversiteit
Bij biodiversiteit gaat het om de afwisseling van al het leven op aarde. Dus van alle soorten planten, dieren, micro-organismen en schimmels en de variatie aan genetisch materiaal binnen al die soorten. Maar ook om de manieren waarop al die levensvormen samenleven.
Bijgebouw
Bescheiden bouwwerk dat bij een hoofdgebouw hoort en los van het hoofdgebouw op het erf of de kavel staat, meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage.
Blinde muur of gevel
Muur of gevel zonder raam, deur of andere opening.
Boeiboord
Opstaande kant aan de onderkant van een dakoverstek of langs een dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
Borstwering
Dichte, lage muur tussen vloer en onderzijde venster of verhoging van de buitenmuren boven de zolderbalken, waarop de muurplaat en het dak rust.
Bouwblok
Een aan alle zijden door straten en wegen begrensde groep gebouwen.
Bouwlaag
Verdieping van een gebouw oftewel het gedeelte van een bouwwerk tussen twee vloeren.
Bouwwerk
Algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten, vaak gaat het dan om het gebouw zelf maar kan ook een brug of een deel van een gebouw zijn, bijvoorbeeld een dakkapel.
Bovendorpel
Bovenste horizontale regel van een deur- of raamkozijn.
Bovenlicht/raam
Opening direct boven een onderliggend raam of onderliggende deur.
Carport
Afdak om een of meerdere auto’s onder te stallen.
Circulair bouwen
Ontwikkelen, gebruiken en hergebruiken van (onderdelen van) gebouwen, gebieden en infrastructuur, zonder natuurlijke hulpbronnen onnodig uit te putten, de leefomgeving te vervuilen en ecosystemen aan te tasten.
Console
Vooruitspringend, ondersteunend deel van een gevel.
Cordonlijst
Een horizontale lijst of profiel aangebracht in een gevel om een overgang tussen verschillende delen van een gevel of bouwlagen van een gebouw te markeren.
Coulissen
Serie van elementen (bijvoorbeeld bomen, gebouwen) die ruimtelijk diepte en gelaagdheid creëren.
Dak
Afdekking van een gebouw, plat of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht.
Dakhelling
De mate van schuinte van een dak.
Dakluik
Een toegang tot een dak(terras), voorzien van een meestal opklapbaar of scharnierend systeem waarvan de bovenkant nagenoeg op gelijke hoogte met de bovenkant van het dak ligt.
Daknok
De hoogste horizontale beëindiging van een dak waar twee dakvlakken elkaar ontmoeten.
Dakopgang
Toegang naar een plat dak enkel bedoeld om het dak te betreden zonder ruimte voor extra functies.
Dakrand
Daar waar het dakvlak eindigt, of de gevel van het gebouw of een ander dakvlak raakt (bijvoorbeeld bij het boeiboord, de daknok of een keper).
Dakvlak
Een aaneengesloten deel van dak dat zich uitstrekt tussen de dakranden of de nok van het dak.
Dakvoet
Laagste punt van een schuin dakvlak.
Detail
Ontmoeting van verschillende bouwdelen, zoals gevel en dak of gevel en raamkozijn.
Detaillering
Het op specifieke wijze samenstellen van een onderdeel van een gebouw uit verschillende materialen.
Doorloophoogte
De verticale afstand tussen het loopvlak (vloer, maaiveld en dergelijke) en het bovengelegen gebouwdeel.
Draaiend deel
Het deel van een raam dat kan draaien of kantelen om open te gaan. Het kan een draai- of kantelraam raam zijn, dat volledig naar binnen of buiten draait.
Duurzaam bouwen
Het ontwerpen, construeren, detailleren en onderhouden van gebouwen op een manier die het milieu minimaal belast en vervuiling en slijtage tegengaat.
Duurzame materialen
Materialen die worden geproduceerd, gebruikt en verwerkt met minimale negatieve impact op het milieu. Ze zijn vaak hernieuwbaar, recyclebaar, energie-efficiënt of afkomstig uit verantwoorde bronnen. Deze materialen dragen bij aan het verminderen van uitputting van hulpbronnen en milieuvervuiling.
Energieopwekkende panelen
Zonnepanelen, zonnecollectoren en andere energieopwekkende velden.
Ensemble
Zie architectonische eenheid.
Erfafscheiding
Fysieke scheiding tussen twee erven of tussen een erf en het openbaar gebied.
Erfgoed
In wettelijke termen is een monument een “onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed”. Het begrip cultureel erfgoed heeft een brede betekenis. In de welstandsnota beperkt het begrip zich tot de gebouwde en aangelegde monumenten en ruimtelijke structuren in het (stads)landschap.
Erker
Klein uitstekend deel aan de gevel van een gebouw, vaak voorzien van een borstwering en ramen.
Flat
Groot, gestapeld woongebouw met meerdere appartementen; appartement in een groot woongebouw.
Fysieke leefomgeving
Alle elementen die de ruimte bepalen en nodig zijn voor menselijk functioneren, zoals: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De ontwikkeling van de fysieke leefomgeving hangt sterk samen met de sociale leefomgeving en het economische domein.
Galerij
Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw met een open zijkant die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.
Gebouwschil
De buitenzijde van een gebouw: gevels, dak, inclusief de onderkanten van balkons en dergelijke, dus ook de vijfde en de zesde gevel.
Gedekte tinten
Zachte, niet-felle kleuren.
Gesloten (bouw)blok
Geschakelde groep gebouwen die een blok vormen met een besloten binnengebied.
Gevel
Buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de situering de voor-, zij- of achtergevel).
Gevelbekleding
Buitenste afwerking van een gevel.
Gevelgeleding
Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, inspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.
Gevelgroen en groene daken
Natuurlijk, levend groen, beplanting, voor op daken of gevels.
Gevelopening
Opening in de gevel, zoals bijvoorbeeld een raam of deur, die zowel functionele als esthetische doeleinden vervult in het ontwerp van een gebouw.
Gevelpaneel
Een vooraf vervaardigd element van materialen zoals beton, metaal, hout of kunststof, dat wordt gebruikt voor de gevelbekleding van een gebouw.
Gevelplastiek
Ruimte- en dieptewerking door reliëf in de gevel.
Gevelvlak
Niet door ramen of architectonische bijzonderheden onderbroken deel van de gevel.
Gevelwijziging
Het zodanig veranderen van een deel of het geheel van de gevel van een woning of gebouw dat daardoor het aanzicht verandert.
Halfopen verkaveling  
Een herkenbaar ensemble van bebouwingsstroken die halfgesloten stedenbouwkundige eenheden vormen met een afwisseling van open en gesloten hoeken.
Hefschuifraam/venster
Een type raam dat verticaal kan worden verschoven om open te gaan. Het bestaat uit twee delen: vaak met een schuivend onderraam en een vast bovenraam. Gekenmerkt door aanwezigheid van een wisseldorpel en versprongen glaslijn.
Herbruikbare materialen (of elementen)
Materialen of elementen die na hun (eerste) gebruik opnieuw kunnen worden ingezet, zonder dat ze hun oorspronkelijke kwaliteit of functie verliezen. In plaats van te worden weggegooid, kunnen ze opnieuw worden verwerkt, gerepareerd of direct hergebruikt doordat ze losmaakbaar zijn ontworpen, multi inzetbaar zijn, niet giftig, etc. Deze materialen spelen een belangrijke rol in een circulaire economie.
Hergebruik (bouwen)
Het opnieuw inzetten en gebruiken van materialen, constructie onderdelen of complete gebouw(del)en.
Hergebruikte materialen
Materialen die, na hun oorspronkelijke levenscyclus, opnieuw worden ingezet zonder uitgebreide verwerking of recycling. In plaats van te worden afgebroken, gesmolten, of anderszins omgevormd worden ze in hun bestaande vorm opnieuw gebruikt in andere projecten of toepassingen.
Historische winkel/hoekpanden
Panden op hoeken van bouwblokken waarin in de oorspronkelijke opbouw van de wijk een publieke functie was voorzien.
Hoofdgebouw
Het gebouw op een perceel dat gelet op de bestemming als meest belangrijk is aan te merken.
Individueel gebouw
Zelfstandig, op zichzelf staand gebouw.
Installaties
Hiermee worden apparatuur, (af- en toevoer)kanalen, bevestigingsmiddelen en -constructies, bijbehorende onderdelen en dergelijke bedoeld.
Integraal
de manier waarop verschillende onderdelen van een systeem, project of idee op een samenhangende en geïntegreerde manier met elkaar verbonden zijn.
Integrale dakopbouw
Een uitbreiding op het dak van een bestaand gebouw die als één geheel wordt ontworpen en uitgevoerd.
Kader
Vlak dat in het oorspronkelijke ontwerp bestemd is voor reclames zoals raamvakken boven etalagepuien, gesloten stroken tussen kozijnen in puien en dergelijke. Of: omlijsting van een gevelelement bijvoorbeeld bij een raam.
Kalf
Een verticaal of horizontaal geplaatst kozijndeel dat het kozijn verdeelt in meerdere delen.
Kapvorm
Vorm van het dak.
Kavel
Grondstuk, kadastrale eenheid.
Keper
Onderdeel van de dakconstructie bestaande uit een rib die van de dakvoet tot de nok loopt op plaatsen waar dakvlakken elkaar ontmoeten.
Klokgevel
Een gevel waarvan de bovenzijde een uitlopende, gebogen of afgeronde vorm heeft, zoals de vorm van een klok.
Kop
De kleinste kant van een rechthoekige vorm; bijvoorbeeld bij een langgerekt gebouw of een balk.
Kozijn
Het kozijn is de constructie waar een raam of deur in is geplaatst. Het biedt de structuur en ondersteuning voor het raam of de deur en is vaak gemaakt van hout, kunststof of metaal.
Kozijnindeling
Manier waarop - binnen de gevel - de kozijnen worden gepositioneerd en georganiseerd.
Kozijnwijziging
Het vervangen of veranderen van een kozijn, of van kozijn-invullingen zoals vensters, ramen, deuren.
Lak
Middel dat op een materiaal aangebracht wordt en zo een afwerklaag vormt: transparant (blank), niet-dekkend of dekkend gepigmenteerd.
Latei
Draagbalk boven (gevel)opening.
Lessenaarsdak
Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak.
Lijst
Een meestal versierde en geprofileerde rand, bijvoorbeeld als bekroning van de bovenzijde van een gevel.
Lijst- en lofwerk
(Gevel)versieringen aan een gebouw in de vorm van een lijst, plint, rozet of dergelijke.
Loggia
Overdekte buitenruimte achter een gevel.
Luifel
Een uitgebouwd afdak, vaak boven een deur.
Maaiveld
Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht.
Mansardedak
Dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel, waardoor een geknikte vorm ontstaat.
Massa
Volume van een gebouw of bouwdeel.
Megareclame
Reclame met afmetingen die een aanzienlijk deel van een gevelvlak beslaan, veelal met een hoogte van meer dan één verdieping en dominant aanwezig in het straatbeeld. Megareclames kunnen zowel in digitale als in analoge vorm uitgevoerd worden.
Metselverband
Het zichtbare patroon van metselwerk.
Middenstijl
Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.
Morfologie
Betreffende de vorm van het gebouw als geheel.
Na-isoleren
Het aanbrengen van isolatiemateriaal aan de buitenzijde van gevels en daken van bestaande panden.
Negge
Inspringende kant van een muur bij de gevelopeningen.
Neggemaat
Afstand van de voorkant van de gevel tot de voorkant van het kozijn.
Nok
Zie daknok.
Omgevingskwaliteit
Integrale samenhang van stedenbouwkundige-, landschappelijke-, cultuurhistorische- en architectonische kwaliteit.
Onderbouw
Onderste gedeelte van een gebouw, bijvoorbeeld de begane grond van een huis met een zadeldak.
Ondergeschikt
Voert niet de boventoon, niet prominent.
Onderlicht/raam
Opening direct onder een bovenliggend raam, bijvoorbeeld het benedenste gedeelte van een hefschuifraam.
Ontsluiting
De toegang tot een gebied, terrein of gebouw.
Opbouw
Bovenste gedeelte van een bouwwerk dat is geplaatst op de onderbouw. Of: later toegevoegd gedeelte boven op een bestaand gebouw.
Open verkaveling
Een herkenbaar ensemble van bebouwingsstroken die herhaald worden en elkaar onderling niet raken.
Openbaar toegankelijk gebied
Gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is zoals wegen, stoepen, paden, pleinen, parken, plantsoenen, water en dergelijke.
Oriëntatie
De richting van (de belangrijkste gevel van) een gebouw.
Overkapping
Bouwkundige afdekking van een (open) ruimte.
Overstek
Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
Paneel
Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.
Penant
Smal buitenmuurgedeelte tussen ramen of deuren.
Pergola
Een constructie die bestaat uit palen of kolommen die horizontale balken ondersteunen.
Plaatmateriaal
Bouwmateriaal dat in plaatvorm wordt geleverd, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (bijv. volkern plaat) of staal (vlak of met profiel).
Plasticiteit
Mate waarin ruimte- en dieptewerking door reliëf in de gevel aanwezig is.
Plat dak
Een vrijwel horizontaal dak met een minimale helling ten behoeve van afwatering.
Plint
Een duidelijk te onderscheiden horizontale strook aan de onderzijde van een gebouw, of begane grond van een gebouw, indien deze zich van de overige verdiepingen onderscheidt.
Portiek
Direct achter de gevel gelegen ruimte met een gemeenschappelijk trappenhuis dat toegang biedt tot meerdere woningen.
Profielbreedte
Breedte van kozijnhout, raamhout of lijstwerk.
Profieldiepte
Dikte van kozijnhout, raamhout of lijstwerk, gemeten vanaf buitenkant/ voorkant van het kozijn, raam of dergelijke, tot de achterzijde.
Puntgevel
Een gevel die eindigt in een driehoekige vorm, ook wel zadeldakgevel.
Raamhout
Het (soms beweegbare) deel van een venster waarin het glas is gevat. Vaak een houten deel, maar kan ook kunststof of metaal zijn.
Raamindeling
Manier waarop - binnen het kozijn - de ramen worden verdeeld, gepositioneerd en georganiseerd.
Reclame
Elke aanduiding met een commercieel of niet-commercieel belang, in de vorm van een naam, aanduiding, opschrift, bewegwijzering, aankondiging, mededeling en/of ander herkenbaar teken, al dan niet in combinatie met een bouwkundige uitbreiding voorzover deze op of vanaf de openbare weg zichtbaar is.
Reclameplan
Een voorstel waarbij alle mogelijkheden voor reclames op geveltekeningen van een gebouw worden weergegeven. Het plan bevat alle informatie met betrekking tot zonering, afmetingen, aantallen en reclametypen. 
Redengevende omschrijving
De tekst die behoort bij de aanwijzing van een bouwwerk tot beschermd monument. Deze geeft aan waarom het gebouw of object is aangewezen als beschermd monument. Het is een beschrijving van de karakteristieken van het bouwwerk en er kan informatie aan worden ontleend over de relatie van het monument met zijn omgeving.
Roedeverdeling
De indeling van een raam in verschillende vlakken. De roeden zijn de raamstukken die deze verdeling maken.
Rollaag
Horizontale rij verticaal geplaatste stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.
Rooilijn
Lijn die de grens aangeeft waarlangs maximaal mag worden gebouwd.
Rotterdamse laag
De gemiddelde bouwhoogte van vier tot acht bouwlagen, die voortkomt uit de stedenbouwkundige geschiedenis van Rotterdam en per wijk of buurt kenmerkend is voor de bebouwing.
Schilddak
Een dak met twee driehoekige en twee trapeziumvormige hellende vlakken, die samen alle zijkanten van het dak bedekken.
Schuifraam/venster
Een type raam dat horizontaal kan worden verschoven om open te gaan. Soms ook gebruikt als kortere benaming voor een hefschuifraam, dat verticaal schuift, zie hefschuifraam.
Schuur
Bijgebouw ten behoeve van opslag.
Semi-transparant
Enigszins doorzichtig.
Sheddak
Een dak bestaande uit een reeks schuine dakvlakken die samen in aanzicht een zaagtand vormen, vaak gebruikt in industriële gebouwen om noorderlicht binnen te krijgen.
Situering
Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving.
Solar carport
Een overkapping voor parkeerplaatsen met geïntegreerde zonnepanelen, die zowel voertuigen beschermt als duurzame energie opwekt.
Speklaag
Een decoratieve horizontale band in een gevel, gemaakt van afwisselende lagen baksteen en natuursteen, vaak gebruikt om visuele accenten te leggen.
Stedenbouwkundige eenheid
Een buurt of enkele bouwblokken of bebouwingsstroken die zijn gerealiseerd op basis van hetzelfde stedenbouwkundig plan.
Stolpdak
Een dak dat als een stolp over alle zijden van het gebouw heen valt en dat soms met de dakbekleding doorloopt in het gevelvlak.
Straatwand
Een serie van gebouwen die tezamen een wand vormen en de ruimte van de straat begrenzen.
Tactiliteit
Tastbaarheid van de textuur van een materiaal.
Textuur
De voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).
Topgevel
Een gevel waarvan het bovenste deel min of meer in een punt uitloopt en die zich meestal aan de korte zijde van een gebouw bevindt.
Transparant
Doorzichtig.
Trendsetter
Een vergelijkbaar plan in de omgeving, als onderdeel van hetzelfde (type) pand en volgens een eerdere vergunning uitgevoerd, vormt een precedent voor een volgende aanvraag; dit plan zet de ‘trend’ en wordt dus gezien als ‘trendsetter’.
Uitbouw
Aan het gebouw vastgebouwde uitbreiding, rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk en bescheiden van omvang.
Vast glas
Een deel van een raam dat niet kan worden geopend. Het glas is vastgemaakt in het kozijn- of raamhout en biedt enkel lichtinval en zicht.
Verkaveling
De manier waarop (bouw)grond in percelen is verdeeld.
Versprongen glaslijn
Doordat het onderraam van een hefschuifraam omhoogschuift achter het bovenraam ligt dit verder naar binnen dan het bovenraam. Daardoor ligt ook het glas van beide raamdelen niet in één vlak. De ten opzichte van elkaar verspringende positie van het glas in boven- en onderraam wordt ‘versprongen glaslijn’ genoemd.
Vijfde gevel
De bovenzijde van een gebouw, veelal gaat het om een plat dak.
Voorgevel
De gevel aan de voorzijde van een gebouw. Omdat deze gevel vaak de voornaamste gevel is, is deze veelal het rijkst gedecoreerd.
Voorgevelrooilijn
Denkbeeldige lijn die strak langs de voorgevel van een bouwwerk loopt, zoals bedoeld in het omgevingsplan en dergelijke.
Voorvergrijzen
Het vooraf grijs beitsen of anderszins bewerken van hout om ongelijke vergrijzing door licht en weersomstandigheden tegen te gaan.
Vormentaal
De wijze waarop verschillende vormen zijn toegepast.
Windveer
Plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen.
Wisseldorpel
Dorpel tussen boven- en onderraam bij een hefschuifraam. Deze bestaat achtereenvolgens (van buiten naar binnen) uit: de onderste dorpel van het bovenraam en de bovenste dorpel van het onderraam. Als het schuifraam dicht is, schuiven de dorpels voor elkaar langs en lijkt het één dorpel.
Woningbreedte
De breedte van de woning. NB: bij woning in een woningrij loopt de woningbreedte van het midden van de woningscheidende muur aan de ene kant tot het midden van de woningscheidende muur aan de andere kant.
Zadeldak
Een dak met twee hellende vlakken die elkaar in de nok ontmoeten, waardoor het dak een typische V-vorm heeft.
Zesde gevel
Onderkanten van balkons, overstekken en andere uitstekende delen van een bouwwerk.
Zijgevellijn
Denkbeeldige lijn die strak langs de zijgevel van een bouwwerk loopt.
Zonnecollector
Collector waarmee warmte wordt opgewekt, die via een warmwateropslag meestal gebruikt wordt voor het verwarmen van water voor huishoudelijk gebruik.
Zonnepaneel
Paneel dat elektriciteit opwekt uit daglicht voor de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk.